Met banksparen kan je met een pensioengat behalve bij een verzekeringsmaatschappij, ook bij een bank terecht voor een fiscaal aantrekkelijke oudedagsvoorziening. Tot een bepaald maximum kan een storting op een spaar- of beleggingsrekening worden afgetrokken van het belastbaar inkomen. Het saldo van die rekening valt niet onder box 3 en ook de aangroei is onbelast. Pas over de uitkeringen betaalt men belasting (in box 1).
Het grote verschil met de traditionele lijfrentepolis is dat aan banksparen geen verzekering is verbonden. Soms is dat een voordeel, soms een nadeel, afhankelijk van hoe het geregeld is en wanneer men overlijdt. Bij overlijden is zonder een verzekering niets geregeld voor de nabestaanden.
Het banksparen is omgeven door strikte regels. De uitkering van het opgebouwde bedrag moet uiterlijk ingaan in het jaar waarin men 70 jaar wordt. De looptijd is meestal minimaal 20 jaar. Bij overlijden gaat de resterende ‘pot’ over naar de erfgenamen, het is immers geen verzekering, maar een vermogensrecht.
Belangrijk om te vermelden, is dat tussentijdse opname van het spaarsaldo alleen mogelijk is door terugbetaling van het genoten belastingvoordeel plús een forse boete. Daarmee is meteen een belangrijk nadeel van het banksparen gegeven, te weten het gebrek aan flexibiliteit. Bij andere spaar- en beleggingsvormen kan men uitstappen als men later spijt krijgt. Bij banksparen wordt dat, net als bij lijfrenten, fiscaal stevig afgestraft.
Sluit dan ook nooit in een impuls een bankspaarproduct af, maar doe het weloverwogen en alleen als het voor een reeks van jaren interessant is. En kijk niet alleen naar de voor- en nadelen van banksparen versus een lijfrente, maar kijk ook of sparen geen alternatief is. Dat kost weliswaar boven de vrijstelling van 20.315 euro per persoon 1,2 procent box 3-heffing per jaar en levert geen belastinguitstel op. Maar er staat wel flexibiliteit tegenover, en dat is ook veel waard.
Bron: BN De Stem

